Afke: ‘Twintig jaar geleden flikte je mij een rotstreek. Je besloot om dood te gaan’

Janne Vogel 15 jun 2018 Persoonlijk

Columnist Afke (41) is naast moeder van drie ook partner, dochter, vriendin, buurvrouw en ZZP-er. In haar praktijk voor Holos Massagetherapie (www.voeling.nl) begeleidt ze vrouwen bij het (weer) vertrouwd raken met en luisteren naar hun lichaam. Afke is altijd op zoek naar dat wat (aan)raakt en heeft een zwak voor imperfectie en echtheid. Daar schrijft ze over voor Famme.

Column: Dag pap

De vogel die steeds terugkeert in onze tuin, heb jij daar iets mee te maken? Soms denk ik dat jij dat bent. Tegelijk lach ik om mijzelf. Ik weet wel dat het gewoon een vogel is. Maar te denken dat jij dat bent stelt me gerust. Ik wil niet geloven dat dood dood is, dat er geen licht, tunnel, poort of reïncarnatie volgt. Ik geloof liever dat jij verschijnt in de natuur om mij heen en dat je nu de reizen maakt die je altijd hebt willen maken. Het verzacht en stelt mij gerust. Zo ben ik niet alleen.

Twintig jaar geleden flikte je mij een rotstreek. Je besloot om dood te gaan. Voor mij kwam die boodschap, ondanks dat je al heel lang ernstig ziek was, onverwacht. Mama kwam die maandagochtend mijn kamer binnen. ‘Je vader heeft besloten dat hij niet meer verder wil’, zei ze. Ik was mezelf net aan het voorbereiden op een nieuwe stagedag in het verpleeghuis. Na die zin ging ik maar over op ‘handelen’. Ik belde mijn stagebegeleider en vertelde hem dat ik er even niet zou zijn omdat mijn vader zou doodgaan die dag.

Jij had, buiten mijn weten om, alles al geregeld, met de huisarts, met mijn moeder. Ik weet nog dat ik naast je ging zitten. Het was zo’n moment uit de film waarop iedereen zijn zakdoek uit zijn tas pakt en begint te snotteren. Dat dacht ik tenminste. Ik herinner de zuurstofpomp, het borrelende geluid vond ik prettig. Het voelde ongemakkelijk daar aan jouw bed. Ik herinner me dat ik zei dat ik van je hield, maar dat ik niet vanuit mijn hart sprak. Dat had ik die dag maar even dichtgedaan voor de zekerheid.

Ik huilde niet en ik vond dat dat wel moest. Ik vond dat ik alles moest zeggen wat nog gezegd moest worden, zoals in de film, maar er kwam niets uit mijn mond. Ik weet niet meer wat jij tegen me zei, hoe diep ik ook graaf in mijn geheugen. Het spijt me. Voor mijzelf. Ik herinner me dat ik dacht: Dit ga ik doen, ik kan dit, ik ben sterk. Maar toen de morfine diep was doorgedrongen in jouw wezen werd ik klein. De beelden en geluiden die bij die laatste uren horen, heb ik nooit kunnen wissen uit mijn systeem. En juist die had ik willen vergeten.

Tot het eind bleef ik hard in jouw hand knijpen, stiekem, in de hoop je bij me te kunnen houden. De mensen in de ruimte verzekerden elkaar er steeds weer van dat het nu echt bijna was gebeurd, dat konden ze horen aan je adem, maar ik hoorde alleen hun eigen onzekerheid. Ik wenste dat zij oprotten en weigerde de zuurstofpomp uit te zetten. Ik wilde je niet laten gaan, ik kon het niet. Nog niet. Het spijt me. Voor jou. Ondanks mijn verzet ging je dood. Twee idioot geklede mannen met een idioot vormelijke manier van spreken belden aan. Ik ben ze nog steeds dankbaar, dat ze zo idioot deden. Het zorgde ervoor dat ik voor even loskwam van jou en de slappe lach kreeg. Ze stopten je in een zwarte zak en deden de rits dicht.

Ik zag jou pas weer in het mortuarium. Ik moest een kanten gordijntje optillen van de kist om je goed te kunnen bekijken. Er zat een soort plastic schoenlepel onder je kin en jouw haren waren gekamd. Je had een kapsel zoals je niet eerder had gehad. Het zag er grappig uit. Ik besloot het weer in jouw vertrouwde zijscheiding te kammen en voelde jouw huid. Koud, niet zacht, maar ook niet keihard. Als een homp klei. Ik schrok er van. Ik realiseerde me dat dat lichaam alleen een lichaam was, een omhulsel. Jij was al verder, op weg naar mijn tuin.

Ik had verwacht dat ik je zou missen op jouw verjaardag of sterfdag en dat de feestdagen mij zwaar zouden vallen. Ik verwachtte dat ik bij de geboorte van mijn kinderen jouw afwezigheid zou voelen. Maar zo ging het niet. Jouw sterfdag kwam ieder jaar voorbij, net als de trouwdag van jou en mama. Ik voelde er weinig bij. Het zijn de dagen van mama geworden. Ze zijn als een houvast voor haar verdriet en bieden haar een soort van logica en volgorde in alles wat ze voelt.

Ik mis je op onverwachte momenten. Als ik een groep trekvogels zie vliegen, voel ik jouw afwezigheid. Als ik op de dijk sta en de wind me bijna omver blaast, voel ik jouw afwezigheid. Als ik mijn eigen vingers zie, zie ik jouw handen en voel ik jouw afwezigheid. Als ik mijn sinaasappel schil zoals jij mij dat leerde, voel ik jouw afwezigheid. Als ik (met enige twijfel) de kinderen vertel dat een spin een nuttig dier is en nooit mag worden doodgeslagen, voel ik jouw afwezigheid.

En tegelijk laten al deze dingen mij voelen dat je nog aanwezig bent. In mij. Lange tijd ben ik boos geweest om wat jij me die dag hebt geflikt. Nu is het klaar. Ik laat jou en mijzelf vrij. Dank je wel voor de vader die je voor mij was en bent. Dag pap.

Reageer op artikel:
Afke: ‘Twintig jaar geleden flikte je mij een rotstreek. Je besloot om dood te gaan’
Sluiten