Afke: ‘Ik kijk naar mijn kind in de kring en wil hem het liefst meenemen, weg van hier’

Janne Vogel 29 aug 2018 Columns

Columnist Afke (41) is naast moeder van drie ook partner, dochter, vriendin, buurvrouw en ZZP-er. Ze heeft een zwak voor imperfectie en echtheid, maar kan het goede moedergedoe, het beeld van de moeiteloos succesvolle ondernemer en de ideale echtgenote soms moeilijk laten voor wat ze zijn. Daar schrijft ze over voor Famme.

Column: Groot

‘Zullen we vanaf nu heel vaak mijn kamer opruimen? Bijvoorbeeld iedere keer als ik naar een andere groep ga?’, vraagt hij. Ik kruip naast hem in bed en kijk naar hem. Zijn gezicht lijkt langer geworden deze zomer, net als zijn benen. Voor de vakantie zag ik een kleuter. Nu zie ik een jongen van 6. Ik trek hem tegen me aan en lach om wat hij zegt. Ik herinner mezelf eraan dat ik zijn uitspraken ergens vast moet leggen.

Vanavond hadden we nog ruzie met elkaar. Over iets kleins en dat werd steeds groter. Hij schreeuwde dat ik alles deed wat hij niet leuk vond en dat ik maar eens af moest wachten wat hij allemaal zou gaan doen als ik zo bleef doen. En toen sloeg hij mij. Heel zachtjes en aarzelend, alsof hij er niet zeker van was, maar toch iets moest doen. En toen schreeuwde ik ook. En ik deed alles wat ik eigenlijk niet wil. Ik trok hem aan zijn arm naar boven en stuurde hem naar zijn kamer. Ik zei dat hij minstens een week niet op de tablet, telefoon of wat dan ook met een scherm mocht. Hij huilde onbedaarlijk en schreeuwde dat ik een rotmoeder ben. Ik dacht ‘ja’ en wilde naar hem toe gaan. Maar ik deed het niet. Ik ging naar beneden en ruimde de vaatwasser uit. Een kopje viel op de grond. Kapot. Ik voelde tranen. En iets van buikpijn voor wat er nog allemaal zou komen later, in de puberteit. En of ik dat dan wel zou kunnen.

Afstand

‘En als er iemand op mijn kamer komt dan krijgen ze eerst regels. Dan mogen ze nergens aankomen want het moet altijd zo blijven hè mama’, zegt hij. Hij legt zijn arm om mij heen en drukt zijn neus tegen mijn neus. Ik snuif de geur van mijn kind op en kijk in zijn ogen. Dit lijfje tegen mij aan voelt zo vertrouwd en tegelijk merk ik hoe er de afgelopen maanden wat meer afstand komt. Het is niet meer vanzelfsprekend dat hij op schoot klimt als hij zijn verhalen komt vertellen. Naar de wc gaan, daar bemoei ik me niet meer mee en als hij uit bad stapt droogt hij zichzelf af. Hij wacht zijn vader ‘s avonds op in bed om zijn Lego-bouwwerk te laten zien en wil wedstrijdjes met hem spelen. Ik zie hoe vaak hij naar hem kijkt de laatste tijd. Alsof hij hem bestudeert.

Groep 3

Morgen start het nieuwe schooljaar en gaat hij naar groep 3. Vanavond hebben we een speciale opruimactie in zijn kamer gehouden. Nu is het een soort fijn stil in zijn kamer. Ik verwachtte protest, maar hij ging languit liggen op de grond en keek lachend om zich heen. Hij leek opgelucht.
Ik vraag of hij zin heeft in morgen. Hij zegt dat hij het spannend en leuk vindt. Dan gaapt hij. Ik geef hem een kusje en vertel hem dat ik van hem hou. ‘Ja’, zegt hij.

Het is ochtend. Als ik beneden kom, zit hij al aangekleed op de bank. Hij lacht even en kijkt dan ernstig. ‘Ik vind het spannend en leuk vandaag’, zegt hij. Ik zoek zijn broodtrommel die door de vakantie is verschoven naar een onmogelijk onvindbaar plekje in de kast. Ik bekijk de afbeelding van Disney en voor het eerst vraag ik mezelf af of dat nog wel kan. Als ik onder de douche sta verschijnt hij in de deuropening. Hij heeft zijn jas aan en fietshelm op en vraagt of we niet te laat komen. Voor de zekerheid blijft hij daar staan tot ik klaar ben.

Alle tijd

Eenmaal op de fiets constateer ik opgelucht dat we echt alle tijd hebben. Ik maak foto’s met mijn smartphone van hem en zijn vader, die speciaal voor vandaag een stukje mee fietst. Ik voel bubbeltjes in mijn lichaam. Ik denk dat zo geluk voelt. Hij zegt dat ik geen foto’s moet maken omdat ik anders kan vallen. Ik lach, wuif zijn zorgen weg en zing een liedje. We zijn er al bijna. Dan komt er een auto achter ons rijden die ons niet passeert. Ik zie hoe hij steeds achterom kijkt naar de auto en vertel hem dat hij gewoon door kan blijven fietsen. Maar hij lijkt het niet te vertrouwen en kijkt nog een keer over zijn schouder. Ik zie hoe zijn wiel van de straat afglijdt, in de berm terechtkomt en dan hoor ik een klap. Mijn kind klettert op de grond.

Alleen handelen

De auto is vlak achter hem gestopt. Even hoor ik niets en dan begint hij hard te huilen terwijl hij onder zijn fiets ligt. Ik kan niet bij hem omdat ik zijn broertje achterop mijn fiets heb. Ik roep dat hij op moet staan en dat papa eraan komt. Zijn vader, die voor ons fietste, vraagt wat er is gebeurd en begint te mopperen op de bestuurder van de auto. Ik kan niet antwoorden. Ik kan alleen handelen. Hij staat brullend op. Ik trek hem naar me toe. De auto blijft maar staan en de bestuurder kijkt. Ik wil dat ze doorrijdt en weggaat. Ik voel mijn hart bonken. Ik wil hem troosten, zijn knie bekijken en ik denk ook aan de schoolbel van de eerste schooldag van de nieuwe groep. Ik moet hem zover krijgen dat hij weer op zijn fiets stapt.

Maar het wiel van zijn fiets is krom. We zetten zijn fiets tegen een lantaarnpaal. Zijn vader tilt hem achterop zijn fiets. Hij roept dat hij niet durft en dat hij een kinderzitje wil. Hij roept dat zijn fiets vast zal worden gestolen als we ‘m achterlaten. We fietsen door. Ik fiets achter ze en roep steeds dat hij zijn benen wijd moet houden. Ik zie hoe hij zijn vader krampachtig vasthoudt.

Weg van hier

Dan zijn we op school. Zijn gezicht is wit. Als ik naar zijn knie wil kijken duwt hij mijn arm weg. Hij veegt zijn tranen af en kijkt zonder contact te maken. De kinderen van zijn nieuwe groep zitten in de kring. Ouders begroeten me en vragen hoe de vakantie is geweest. Ik hoor ze niet goed. Ik kijk naar mijn kind in de kring. Ik probeer bij hem te komen, maar de doorgang is versperd door andere kinderen en ouders. Zijn broertje trekt aan mijn been en zegt dat ik hem moet dragen. Eindelijk ben ik bij hem. Hij staat naast zijn beste vriend. Hij kijkt blij. Zijn vriend zit aan het eind van de bank en staart voor zich uit. Mijn kind probeert op het puntje te gaan zitten. Het lukt niet. Hij vraagt of zijn vriend op wil schuiven. Z’n vriend geeft geen antwoord. Dan vraagt hij het nog een keer en zegt dat vriend naast hem wil zitten. Zijn vriend blijft voor zich uit staren en zegt: ‘Nee, ik wil naast Jort zitten vandaag.’ Mijn kind zegt niets en blijft staan. Hij ziet er ineens weer klein uit. Ik voel iets in mijn keel en wil hem meenemen naar huis, weg van hier.

Afscheid

Ik stel voor dat ze samen op een ander plekje gaan zitten, maar hij schudt ‘nee’ en als ik nog iets wil zeggen, klapt de juf in haar handen. Ik druk een kus in zijn haar, houd zijn gezicht even vast en wens hem plezier. Ik zoek zijn blik. Ik zeg hem dat hij het tegen de juf kan zeggen als zijn knie nog pijn doet. Hij zegt: ‘ja’ en kijkt weg.
Buiten staat zijn vader met de vader van zijn beste vriend te praten. Iedereen kletst met elkaar. In mijn oor hoor ik een piep. Ik zet zijn broertje achterop mijn fiets. Hij stopt zijn duim in zijn mond.

Dan voel ik een afscheidskus van zijn vader op mijn wang en rijd weg. Op de terugweg komen we langs de fiets. ‘Kijk!’, roept zijn broertje. Ik zie het kromme wiel en denk aan mijn kind in de kring. Ik voel mijn hart samentrekken en moet geloof ik huilen.

Een man loopt met zijn hond voorbij.
‘Goedemorgen!’, roept hij vrolijk.
Ik schrik en slik. Dan roep ik vrolijk goedemorgen terug en fiets verder.

Reageer op artikel:
Afke: ‘Ik kijk naar mijn kind in de kring en wil hem het liefst meenemen, weg van hier’
Sluiten