Afke: ‘Niet kijken in de spiegel, bewaar het beeld dat je vanmorgen van jezelf had’

Persoonlijk

Columnist Afke (41) is naast moeder van drie ook partner, dochter, ZZP-er, vriendin en buurvrouw. Ze is altijd op zoek naar dat wat (aan)raakt en heeft een zwak voor imperfectie en echtheid. Daar schrijft ze over voor Famme én op haar eigen blog.

Column: Cursus

Ik sta op het perron. Veel te vroeg. De bankjes zijn vochtig. Ik ga toch maar zitten. Terwijl ik het vocht langzaam mijn kleren in voel trekken kijk ik nog een keer in mijn tas. Heb ik alles? Sleutels, telefoon (leeg), een pen (ook leeg), nu al geplette boterhammen (zonder beleg want daar had ik geen tijd meer voor), een kam, maandverband (waarom valt dat altijd uit je tas in het bijzijn van anderen en niet die pen bijvoorbeeld?), een verfrommeld zakdoekje met een uitgespuugd stukje leverworst van de slager erin (want dat lust mijn kind helemaal niet, maar dat durfden we niet te zeggen) en mijn treinkaartje (want ik ga nooit met de trein dus de hele invoering van de Ov-chipkaart is langs mij heen gegaan). Waar is mijn deodorant? Van het idee begin ik spontaan te zweten. En kauwgom? Ook vergeten. Ik adem in mijn hand en snuif het meteen weer op. Ik ruik niets, maar dat zal wel niet kloppen. Heb ik knoflook gegeten gisteren?

Treinen

Een sneltrein dendert voorbij. Ik kan er nog steeds niet tegen. Het geweld waarmee zo’n ding voorbij raast. Eigenlijk is het toch raar dat er geen hekken zijn op een perron? Ik kijk naar het bord waarop staat ‘lopen langs het spoor, levensgevaarlijk’. Het stukje ‘lijk’ is met hoofdletters en vetgedrukt geschreven. Ik kan het beter niet lezen. Want voordat ik het weet denk ik aan hoe dat eigenlijk gaat als je onder de trein komt. Wat voor geluid hoor je dan? En wat is er dan over van je lichaam? Stop. Ik kijk om me heen of er geen mensen rondlopen die verdacht dichtbij de rand van het perron staan. Sinds we hier wonen is dat een gewoonte geworden.

In de trein zit ik tegenover een meisje met hoge hakken dat mijn aanwezigheid niet lijkt op te merken. Ze praat hardop in haar telefoon en pauzeert soms even om een slokje te nemen uit haar roze Wicky pakje. Het gesprek lijkt niet bedoeld om even iets door te geven of te vragen. Het lijkt een eindeloze verbinding tussen twee mensen die elkaar eigenlijk ook niet zoveel te melden hebben, maar toch iets moeten doen om de tijd door te komen. Wanneer de trein schudt knijp ik mijn billen samen in een poging contact tussen mijn en haar knie te voorkomen. Ik zoek een punt om naar te kijken zonder oogcontact te maken met de meneer schuin tegenover mij of duizelig te worden van de lange stenen wal waar we langs rijden. Een boek, dat ben ik dus ook vergeten mee te nemen. Aandachtig bestuur ik het patroon van de vloer en hoop dat we er bijna zijn.

Welkom

Een half uur te vroeg arriveer ik bij het opleidingsinstituut. Zal ik al naar binnen gaan? Nee. Beelden van een volle kantine met mensen die ik niet ken en zoekende blikken van onbekenden om een praatje te beginnen doemen op. Ik loop voor de tweede keer door de winkelstraat. De winkels zijn nog dicht. Ik tuur door etalageramen. Het is ook maar een houding, want eigenlijk kijk ik niet echt. Ik denk aan hoe laat het is en of ik al naar binnen zal gaan en wie er vandaag allemaal zullen komen.
Ik ruik pies en zie dan pas het hoekje waar ik in sta.

Als ik de trap oploop komen de geluiden van stemmen en koffiemachines op me af. Ik zie in de verte het halletje. Als ik daar doorheen loop ben ik er. Ik ga eerst nog maar even naar de wc. Niet kijken in de spiegel. Bewaar het beeld dat je vanmorgen van jezelf had voordat je de deur uitstapte. Zeg tegen jezelf: ‘Ik ben een volwassen vrouw en ik vind nascholingsdagen leuk.’ Adem in, adem uit. Het is helemaal goed zoals het is. Dit wordt een fijne dag. Mijn ooglid trilt en als ik over de drempel van de wc stap, zwikt mijn enkel.

Ik sta er nu middenin en glimlach maar wat. Gelukkig heb ik een tas om vast te houden en een glas water. Mensen lachen, leggen een hand op elkaars schouder. Ze lijken op hun gemak. Ik heb een pilaar gevonden om tegenaan te staan. Er hangen briefjes aan waar ik naar kan kijken.

Voorstelrondje

We zijn met zes deelnemers en zitten in de kring. ‘Fijn’, zeggen mijn medecursisten. ‘Spannend’, denk ik stilletjes. Ik zet mijn beide voeten op de grond en probeer mijn wortels te voelen. Ze zijn er geloof ik niet vandaag. Misschien moet ik even hardop zuchten. Dat helpt, maar nou ja, misschien beter om dat niet te doen zo aan het begin. Ik denk aan mijn kinderen.

Ondertussen scan ik mijn buurvrouw. Met wie zou ik wel willen uitwisselen vandaag? Ik kijk naar de docent. Ziet ze mij? We gaan toch geen voorstelrondje doen? Ik ben nu alweer de naam van mijn buurman vergeten. We gaan wél een voorstelrondje doen. Zal ik dan alleen mijn voornaam noemen of ook mijn achternaam? En is leeftijd belangrijk? Ik ga niet als eerste. O, dat denken de anderen ook.
Die sierlijke vrouw vertelt wel heel veel. Dat ga ik dus niet doen. Wat is eigenlijk mijn motivatie? Zou vandaag de groene container worden opgehaald?

We zijn begonnen.

Pauze

Ik haal mijn weer opgeladen telefoon op bij het secretariaat. Zes oproepen gemist. Beelden van kinderen met afgebroken tanden en koortsige hoofden doemen op. Ik ren naar buiten en luister mijn voicemail af. Niet school, maar mijn moeders stem vraagt vertwijfeld of ze me nu wel of niet aan de lijn heeft en zegt dat dit nu al de vierde keer is dat ze belt. Ze vraagt voor de zekerheid of ik er echt niet ben en belooft dat ze het straks nog een keer zal proberen.

Het einde

De docent nodigt iedereen uit om te vertellen wat de dag heeft gebracht. Ze schrijft de woorden van de anderen op. Woorden als ‘stil’, ‘waardevol’ en ‘vertrouwen’ vullen de ruimte. Sommige cursisten ontvangen lovende woorden over hun moed die ze hebben laten zien vandaag. Anderen krijgen een kort knikje. Zo gaat dat in een groep weet ik inmiddels.

Ik doe mijn best om te luisteren en probeer ondertussen om net zulke goede woorden te vinden. Liever anders dan de woorden die al genoemd zijn natuurlijk. Treffend, ja, dat moeten ze zijn. En authentiek. Dan ben ik aan de beurt. Er knijpt iets in mijn keel. Ik glimlach. Dat is al iets. Ik doe mijn mond vast een beetje open zodat de woorden kunnen komen. Maar dan gaat de docent verzitten, schraapt haar keel en vertelt hoe zij terugkijkt op de dag. Ze vraagt ons het evaluatieformulier in te vullen, bedankt ons voor onze deelname en wenst ons een goede reis naar huis.

Mijn adem stokt. Even twijfel ik. Ik was toch nog niet geweest? Ik kijk om me heen, de andere staren voor zich uit. Zouden ze het niet doorhebben? Niemand zegt iets. Waarom zeg ik zelf niets? Zes mensen staan op en beginnen hun spullen in te pakken. Ik blijf zitten. Er valt iets zwaars op me.
Ik vul het evaluatieformulier in en schrijf op dat ik een fantastische dag heb gehad.

Dan trek ik mijn jas aan en loop voorbij mensen die elkaar omhelzen en lachen en lieve dingen zeggen. De schuifdeur opent lang voordat ik er ben. Hij heeft mij al opgemerkt. Ik aarzel, neem een hap lucht en stap dan naar buiten om te verdwijnen in de mensenmassa op straat.