Afke: ‘Misschien moeten wij nú praten. Over mijn kookpunt, ‘jouw schuld’ en een zinkend schip’

Persoonlijk

Columnist Afke (41) is naast moeder van drie ook partner, dochter, ZZP-er, vriendin en buurvrouw. Ze is altijd op zoek naar dat wat (aan)raakt en heeft een zwak voor imperfectie en echtheid. Daar schrijft ze over voor Famme én op haar eigen blog.

We ontmoetten elkaar voor het eerst bij stadscafé Broers in Utrecht. Ik hield direct van jouw stem en jij van mijn spontaniteit. Er volgde een spannende periode van verliefdheid, eentje die jij soms nog kunt voelen. We legden heel wat kilometers af tussen onze appartementen. Soms stapte ik midden in de nacht nog in mijn auto omdat ik de verleiding om bij je te zijn niet kon weerstaan. Onze lichamen wilden niets liever dan elkaar voelen en de hele dag in bed doorbrengen. Na twee jaar kochten we een huis. Het voelde heerlijk om samen één plek te hebben. We genoten van het inrichten van dit huis, van films kijken vanuit ons grote bed, uitslapen en ontbijten in de stad en nieuwe tentjes uitproberen. De wereld lag aan onze voeten en onze lichamen waren nog lang niet uitgekeken op elkaar.

Trots

Dat groeide uit in een verlangen. Een verlangen om samen nieuw leven op de wereld te zetten, het leek ons de ultieme vervulling van onze relatie. Ik was direct zwanger. We konden het wel van de daken schreeuwen van geluk toen we die twee streepjes zagen op de zwangerschapstest. Maar kort daarna veranderde er iets. Mijn lichaam had voor het eerst soms even geen zin in jouw lichaam. Het had genoeg aan alles wat er gebeurde van binnen. Op dat moment begon zich een leven van binnen af te spelen zonder jou, ook al stond je heel dichtbij mij tijdens de zwangerschap. Onze eerste zoon werd geboren. Wat waren we trots. We hadden allebei nog nooit zo’n intens gevoel voor iemand gevoeld. Maar met dat intense gevoel slopen ook onzekerheid en gebroken nachten binnen.

Ik ga naar bed, zonder jou, zoals dat gaat de laatste tijd. Maakt mij niets uit. Is dat vrijlaten of kwijtraken?

Een fase

Ik moest erg wennen aan de nieuwe vormen van mijn lichaam en mijn onderkant was nog in shock van de bevalling. Ik pakte mijn opleiding weer op, jij begon aan een nieuwe baan, onze zoon huilde veel en sliep slecht. We moesten alle zeilen bijzetten om onszelf staande te houden, er was weinig ruimte voor elkaar. Films kijken vanuit ons grote bed deden we niet meer, we wilden slapen. Koffiedrinken in de stad deden we niet meer, we wilden daar niet met een huilende baby zitten. Ik stortte me volledig op mijn rol als moeder, jij verdween in jouw baan. Jouw lichaam zocht mijn lichaam nog vaak op in een poging elkaar weer te vinden, maar gaf het uiteindelijk op na de zoveelste afwijzing van mijn kant. We dreven weg van elkaar, we zagen het, maar leken niet de energie te hebben om er iets aan te doen. ‘Het is vast een fase,’ dachten we en hoopten we, maar soms beangstigde me wat er tussen ons gebeurde. Drie jaar later werd onze tweede zoon geboren en anderhalf jaar geleden onze dochter. Ik verlang nog vaak terug naar de tijd toen met z’n tweetjes in Utrecht, al zou ik onze kinderen nooit willen missen. Dat zou ik je willen vertellen, maar in de drukte van de dag vergeet ik het of ik stort in slaap als we ‘s avonds op de bank zitten en staren naar onze telefoon.

Vrijheid of kwijtraken?

Ik besloot jou te schrijven: ‘In de waan(zin) van alledag vergeet ik soms dat jij mét mij bent en plaats ik je tegenover mij. Kwijtgeraakt wat ons ooit samen bracht op de weg langs lege wc-rolletjes die jij niet vervangt, rondslingerende kleren en afwezige blikken. Blind voor al het mooie in jou, scherp op alles wat ontbreekt of anders moet. Met mijn huid hard als een pantser en mijn snauwende lelijkheid treed ik je dan tegemoet. Van “Waarom heb je nog steeds niet.” naar “Je kunt toch wel eens.” naar “Snap je eigenlijk wel.” Of ik zeg niets en trek me terug in een hoekje. Opgekruld wachtend totdat jij me komt halen, wat nooit gebeurt. Ik wil wel naar jou, maar jij moet eerst en vandaag heb ik trouwens geen tijd. We moeten praten over ons en wij en jij en ik, maar voor mij in de rij staan een kapotte vaatwasser, deadline en dreinende kinderen en die gaan voor. En net als ik wil dan gaat jouw telefoon. En je neemt op. Ik ga naar bed, zonder jou, zoals dat gaat de laatste tijd. Maakt mij niets uit. Is dat vrijlaten of kwijtraken? Misschien moeten wij nú praten. Over mijn kookpunt, ‘jouw schuld’ en een zinkend schip.

Daar ben je. Je stapt in bed en per ongeluk raakt jouw been het mijne aan. Dat is lang geleden. Ik schraap mijn keel en probeer te denken aan op mijn strepen staan. Maar mijn huid ontdooit op de plek waar ze jouw huid ontmoet. In plaats van strepen komt een vertrouwd gevoel omhoog. Het verspreidt zich over mijn lichaam en voelt warm en zacht. Het raakt tranen aan die ik in het donker wel durf te laten lopen. Mijn kookpunt schuift een stukje op en maakt plaats voor iets met liefde, veilig en herinnering. Zo zitten die twee nog lange tijd wat onwennig naast elkaar.

Net als onze benen. Ik ben stil en luister samen met mijn inmiddels overbodig geworden woorden naar wat jij en ik elkaar daar vertellen.’ Wat ik je wou zeggen: Ik mis jou. Mis jij mij ook? Misschien kunnen we weer eens afspreken, net als toen, jij en ik.