Voor eens en (hopelijk) altijd: hoe zit het nou met die verdomde d’s en t’s?

Redactie 17 jan 2018 Persoonlijk

Vraag een willekeurige voorbijganger waar hij of zij zich aan ergert, en waarschijnlijk zullen veel mensen dingen antwoorden als ‘treinen die niet op tijd rijden’, ‘de driftbuien van mijn peuter’ of ‘lange rijen bij de kassa’. Sommige mensen niet. Sommige mensen* ergeren zich aan onrechtmatig gebruikte d’s en t’s.

Waarmee voor sommigen het startsein gegeven is om à la minuut NU te stoppen met lezen. Zij die menen zich wellicht sporadisch schuldig te maken aan een verdwaalde d of t maar dat op geen enkele manier hindert, mogen het ook hierbij laten. Voor mensen die denken: ‘dat gebeurt mij nooit, ik weet precies waar d’s en t’s wel en niet horen’ – leuk om verder te lezen om gesterkt te worden in die opvatting.

Voor wie is deze tekst bedoeldt?

Voor wie dit stukje vooral geschreven is, is voor al die mensen (want ja, ze zijn met veel) die er eerlijk voor uit durven te komen moeite te hebben met vervoegingen van werkwoorden, en vooral met welke letters daar al dan niet aan te pas komen. Voor hen die het kofschip, fokschaap, kofschiptaxietje en vooral dat taxifuckschip nooit begrepen hebben en daar nog altijd van balen; voor hen die het nooit begrepen hebben en wie dat geen zier kan schelen maar wie daar door anderen op gewezen worden (en dat zeer irritant vinden); voor wie kinderen hebben die binnenkort op school in aanraking gaan komen met de kwestie – en voor al die andere mensen die onderstaande simpelweg moeten lezen. En nee, dit is niet per se belerend of badinerend bedoeld, maar meer als handreiking – we zijn er tenslotte om elkander te helpen, niet waar?

Hoe werkt het precies met het kofschip en de d’s en t’s?

Ik beloof allereerst plechtig het simpel houden en je niet nodeloos te vermoeien met grammaticale verhandelingen over zwakke en sterke werkwoorden en stemloze en stemhebbende klanken, maar vooral te proberen een praktische uitleg te geven waar men wat mee kan. Waarbij ‘wat’ staat voor ‘vanaf nu nooit (vooruit, ‘zelden’ is ook een mooi streven) meer een dt-fout maken’.

1. Stel jezelf de vraag: hebben we het over de tegenwoordige of de verleden tijd?

Het gros van de fouten wordt gemaakt wanneer het de tweede en derde persoon enkelvoud betreft. Ho, wacht, dat klinkt grammaticaal. Klopt, is het ook. In Jip-en-Janneketaal staat hier dat veel fouten gemaakt worden wanneer het gaat om de vervoeging van je en jij (tweede persoon enkelvoud) en van hij, zij en het (ook wel: de derde persoon enkelvoud). Ik bedoel, jij bedoel… en hij bedoel… Zelfde geldt voor hij verander… en, zij blaas… en jij schilder…

Twijfel je of dat een d of een t moet zijn? Niet meer doen! In de tegenwoordige tijd is dat namelijk ALTIJD een ‘t’. Jij bedoelt, zij verandert, hij benoemt, je schildert, zij blaast. De tweede en derde persoon enkelvoud kan in de tegenwoordige tijd NOOIT op een ‘d’ eindigen.

Echt nooit?

Nee, dat kan echt nooit. Ingewikkelder wordt het echter bij werkwoorden waarvan de stam op een d eindigt, zoals worden, vinden en houden. Daar raken veel mensen van in de war, maar dat is helemaal niet nodig. Want ook hier geldt (nog zo eentje) dat die ‘t’ er gewoon bij komt, maar dan achter de ‘d’ die vast in de stam zit. Hij vindt, hij houdt, zij wordt, jij voedt. Nee gekkerd, nooit de ‘d’ van de stam eraf halen, maar vooral ook niet denken dat daardoor de ‘t’ niet nodig zou zijn.

Logisch verhaal toch? Mooi, dan hebben we een groot deel van de moeilijkheid al getackeld.

2. Hebben we het over de verleden tijd en/of het voltooid deelwoord?

Dan gelden andere regels en is het dus even opletten geblazen. Nogmaals, ik wil het vooral niet onnodig ingewikkeld maken, dus hier komt een supergemakkelijk ezelsbruggetje om te bepalen of je de verleden tijd met een ‘d’ of een ‘t’ aanduidt.

* Stel jezelf de vraag hoe je het woord zou gebruiken als je het in de verleden tijd zou zetten. Laten we wederom ‘veranderen’ gebruiken, eentje die veelvuldig misgaat wanneer hij in de voltooide vorm gezet dient te worden: ‘Ik heb gisteren mijn haarkleur verander…’. Hoe zou je het zeggen als de zin was: ‘Gisteren verander..e ik mijn haarkleur’? Ik veranderde, toch – of zeg jij ‘ik veranderte‘? Waarmee het antwoord gegeven is op de eerste vraag: ‘Ik heb gisteren mijn haarkleur veranderd’. Legte je aan je dochter uit hoe het zat, of legde je het haar uit? Juist ja, je hebt het haar uitgelegd.

* Probeer het ook maar eens met een werkwoord als ‘lunchen’. Zeg je ‘ik lunchte gisteren met mijn moeder’ of ‘ik lunchde gisteren met mijn moeder’? Precies! Je hebt dus gisteren met je moeder geluncht.

3. De echte moeilijkheid: afwijkende werkwoorden en uitzonderingen

Zeggen dat met bovenstaande alle problemen uit de wereld geholpen zijn, zou helaas gelogen zijn. Werkwoorden die te maken hebben met een wisseling van medeklinkers (leven, ik leef – graven, jij graaft – verhuizen, hij verhuist): de zogenaamde stemhebbende medeklinkers gooien roet in het eten. Fuckers. Toch geldt ook in die gevallen dat de truc hierboven (zie #2) bijna in alle gevallen tot het juiste antwoord leidt: ‘ik roofde de kluis leeg’ (geroofd dus) – ‘ik verhuisde van Rotterdam naar Utrecht’ (verhuisd dus). Lastiger is het bij uitzonderingen: ik graafde is immers fout: ik groef.

Wordt vervolgd?

Tot zover les 1. Afhankelijk van de hoeveelheid hatemail die we op de redactie en onder dit artikel op Facebook ontvangen, besteden we in een volgend artikel meer aandacht aan bovenstaande.

*We noemen verder geen namen, maar het gaat om bepaalde personen die op de Famme-redactie rondlopen en zich al eerder hebben uitgesproken over hun aversie tegen taalfouten. Hint: ze heet Inge en is zeer volhardend én bloedvermoeiend.

En o ja, die fout in de Facebook tekst, dat is een grapje 😉

Reageer op artikel:
Voor eens en (hopelijk) altijd: hoe zit het nou met die verdomde d’s en t’s?
Sluiten