Froukje: ‘We voelden ons de koning te rijk in ons eigen tuintje’

Columnist Froukje is getrouwd en moeder van twee jongens van 6 en 3 jaar. Is journalist, columnist, blogger. Kookt voor het ene kind lactosevrij, voor het andere vegetarisch. Ze is supertrots, maar sterft ook duizend doden als weer eens iemand zich op een loopfiets van een helling stort. Froukje is, kortom, een heel gewone moeder, samen met die andere moeder.

Column: De tuin

We hebben een heerlijke bovenwoning. Het piepkleine balkon was lange tijd perfect. Er pasten een klein tafeltje met twee klapstoelen op en dan was er ook nog ruimte voor een mandje met tuinkruiden, helemaal goed. En als we languit wilden liggen, gingen we wel naar het park, waar al onze vrienden ook waren.

Kindje

Maar toen kwam er een kind. Zijn eerste zomer was er nog niet zoveel aan de hand. Als zijn wagen op het balkon stond, konden wij er niet meer zitten, maar ach, dan propten we de luiertas vol chips en rosé en togen we weer naar het stadspark, waar we bij de derde boom van links altijd wel iemand vonden om onze proviand mee te delen.

Tweede zomer

Zijn tweede zomer was een ander verhaal. Hij was anderhalf en nogal ondernemend. Klom op stoelen om gevaarlijk over de balkonrand te hangen, gooide speelgoed bij de onderbuurvrouw in de tuin, at niet alleen de kruiden, maar ook het zand waarin ze groeiden. En chillen in het park, ach, met weemoed dachten we terug aan de zomers dat we langer dan een minuut konden blijven zitten of liggen. Want het kind had lopen – en dus ook wéglopen – ontdekt en dat zouden we weten ook.

Een volkstuintje

Een oud en romantisch idee vatte post in ons hoofd. Een tuin, hoe zou dat zijn? Met ruimte om te spelen voor hem, met een moestuin voor mij, met plantjes voor mijn lief en een hangmat voor ons allemaal? Dat voorjaar struinden we op zondagmiddagen volkstuincomplexen af. Op een daarvan voelden we ons meteen thuis. Er bleken tuinen vrij en binnen de kortste keren waren we de eigenaars van een slecht onderhouden chalet in een verwaarloosde tuin. We voelden ons de koning te rijk. We klusten, snoeiden en maaiden. Sliepen er regelmatig een nachtje, vierden er een verjaardagsfeestje, aten onze eerste eigen aardbeien en tomaten. We deden er, met zijn drietjes opgepropt in het kleine badkamertje, een positieve zwangerschapstest.

Ons plekje

Inmiddels zijn we vier jaar, veel tuintegenslagen, geld en uren werk verder, maar zijn we vooral veel gaan houden van ons plekje langs de snelweg. Waar de jongste al kwam toen hij nog maar drie weken oud was. Waar de kinderen vriendjes maakten, waar we bollen met ze plantten, waar de oudste leerde wat kleefkruid is, hoe madeliefjes eruitzien en dat hommels soms ook hun nest maken in een vogelhuisje.

Voorjaar

Toen het einde van de winter naderde en de lente in de lucht hing, voelden we het allemaal: we willen naar de tuin, we hebben hem gemist deze winter. Nu is er dit heerlijke voorjaar, waarvan we met volle teugen genieten. De oudste wilde vogelhuisjes ophangen. Check. De jongste wilde daar leren in een groot bed te slapen. Check. Ik wilde bonen en spinazie gaan zaaien. Check.

In het park komen we weinig meer deze dagen. ‘De derde boom van links’ is ‘de eerste tuin rechts’ geworden. Ook fijn.