Hind schreef een prachtige brief aan haar autistische zoon: ‘Jouw dag. Onze dag. In a crazy world.’

Persoonlijk

Vanuit haar eigen ervaring als moeder van een kind met autismespectrumstoornis (ASS) beschrijft Hind Fraihi in haar boek In mijn hoofd ga ik onder water hoe haar zesjarige zoon de vreemde wereld rondom hem ervaart. Door zijn ogen durft ze onze maatschappij en onze conventies ter discussie te stellen en toont ze de lezer de struikelblokken waar een kind met autisme en zijn omgeving elke dag mee te maken krijgen. In kader van Werelddag Autisme schreef Hind een ontroerende brief aan Liam.

Mijn jongen,

Ik weet niet hoe ik deze brief moet beginnen. Misschien moet ik niets schrijven maar even diep in jouw ogen kijken. De laatste tijd lukt mij dit niet zo goed, zie je, jou aankijken zonder schaamtegevoel. Zonder angst voor wat nog komen zal. Zonder mijn hoofd te pijnigen over vragen waarop ik geen antwoord heb. Zonder oneerlijkheid. Het komt allemaal wel goed, suste ik. Maar ik loog, net op die dag. Want ik moet bekennen: ik weet het niet. Ik vrees het ergste. Ik ben bang. Dat had ik jou moeten zeggen. Je vroeg me wat die ‘slechteriken’ wilden. ‘Een vliegtuig? Namen ze daarom bommen mee naar de luchthaven?’ Ik lachte, dacht aan mijn belofte aan jou. Amper een week oud was je, een nestdiertje met zoete babygeur. Ik beloofde jou de wereld, om in te reizen. Geluk, om in te verdrinken. Gezondheid, om er te staan. Liefde, omdat die er altijd moet zijn. Schoonheid. En vrijheid. Veiligheid.

Belofte maakt schuld. Nog méér schuld in deze tijden dat we elkaar met de vinger wijzen. Het is de politiek, het is het koloniaal verleden. Het is de islam, het is ons falend integratiebeleid. Het is de opvoeding thuis en op school. Blindheid, doofheid. We hebben elkaar niet willen zien, niet willen horen. Haast als verlamd, niets willen doen. Of net te weinig. Uit schrik, uit schroom. Beetje angstig verkrampt. Wie zal het zeggen. Maar hier zijn ze dan, almaar met meer, die ‘slechteriken’. Ze denken vast dat we hen meer dan een vliegtuig verschuldigd zijn, mijn jongen. De dood, dat willen ze. Aan jouw wieg had ik jou eerlijkheid moeten beloven. ‘Nee, ze willen geen vliegtuig. Ze willen dood en vernieling zaaien.’

Eén groot vliegtuig

In plaats daarvan zei ik met een opgedreven spannende stem dat ze van de wereld één groot vliegtuig willen maken, je mag er alleen in als je in hún God gelooft. En ze willen ook de baas spelen op dat mega-jumbo-vliegtuig. Daarom is de cockpit alleen voor hen, de slechteriken. En de grond onder ons is verschroeide aarde. Platgebombardeerd. ‘’ Wat overblijft is onvruchtbare grond vol vragen van schuld. Dat flitste in stilte door mijn hoofd.

Waar vliegen we dan naartoe? vroeg je. Wel, de slechteriken denken naar het paradijs te reizen, mijn jongen. Je keek me aan, doordringend herhaal je wat ik net zei: ‘het paradijs?´ Maar dat is toch goed, daar mag je doen wat je wil. De slechteriken zijn dan goederikken. Dat besluit je prompt. Nonchalant haal je de schouders op. Stoïcijns, bijna pragmatisch. Met een logica van acht jaar jong zeg je dat een reis naar het paradijs ook zonder bommen kan. ‘Ze hadden het gewoon moeten vragen. Vliegtuigen genoeg. Niet, mama?’ De hel barstte los op 22/3 in Brussel en Zaventem. Niet ver van hier, jongen. Op andere plaatsen barst de hel iedere dag los. Daarover stel je geen vragen. Daarover zwijgen we. Het vliegtuig heeft niet als bestemming paradijs. Er is geen vliegtuig, jongen. Er is een verhakkeld metrostel, dat wel. Opengereten door een bomexplosie. Er was een vertrekhal van een luchthaven. Een plek waar je met leuke spanning uitkijkt naar wat komen gaat. Naar dat wat ik je toefluisterde, de wereld, om in te reizen. Dat begon daar. Nooit de plek om te doden, om te sterven. Iedereen was bang die dag, al wisten we dat die ging komen.

En nu, jongen, is het jouw dag. Die van jou en van zovelen. Wereld Autisme Dag

Niemand lachte, al hoonden we die dag hooghartig weg. En nu, jongen, is het jouw dag. Die van jou en van zovelen. Wereld Autisme Dag. Maar iedere dag is van ons, van iedereen. Net als de wereld. Of zovele werelden, want ook al heb je je eigen wereld, die andere wereld gaat niet aan jou voorbij.

Maar die slechteriken, wat doen we daarmee? Ik weet het niet, jongen.

Ze hadden het moeten vragen. Vliegtuigen genoeg. Je hebt mij vragen gesteld, antwoorden te weinig. Schaamte te veel.

Wil je reageren op deze column? Dat kan via onze Facebook.

Deze fotoserie over autisme rekent compleet af met stereotypen >

Meer leuke content? Like ons op Facebook