‘Jij bent de moeder van deze groep verdwaalde zielen’

Phileine schrijft: 'Dag reddende engel'

Persoonlijk

Phileine schrijft brieven, aan mensen of types of een groep. Dit keer vertelt Phileine over een bezoekje aan haar oma.

Dag reddende engel,

Daar zit ze dan. Ik zag haar een halfjaar geleden voor het laatst. Toen nog jong en fris voor haar leeftijd, nu een versleten oude vrouw van drieënnegentig. Ze is nog altijd lief, mijn oma. Ze leest nog altijd haar tijdschriftjes en drinkt nog altijd haar kopje thee zoals ze dat al zoveel jaren doet.

Ze lag er al een nacht

Ze was gevallen. Twee weken geleden werd ze door de thuiszorg naast haar bed gevonden. Ze lag er al een nacht. Ze namen haar mee, het ziekenhuis werd haar nieuwe thuis. Voor twee weken werd ze daar onderzocht, rustig gehouden en opgelapt.

En nu is ze bij jou. Samen met al die andere opgelapte oude mensen. Tegenover mijn oma zit een vrouw van zeventig. Dat weet ik, omdat ze dat heel hard roept als ik binnen kom: ‘IK BEN AL ZEVENTIG HOOR!’.
Mijn oma kijkt me aan, herkent me gelukkig en ze geeft me een knipoog terwijl ze naar haar jonge overbuurvrouw kijkt. Fijn, mijn oma is nog hier. Haar hoofd is nog bij haar lijf en ze snapt precies waar ze is.

De bloemen die ik voor haar meebracht hoeven niet in een vaas gezet te worden. Dat doet ze zelf wel als ze morgen weer naar huis gaat. Ze gaat morgen niet naar huis. Ik leg haar dat uit en ik zie dat ze me wel snapt maar me niet wil begrijpen. ‘WAAR HEBBEN JULLIE HET OVER?’ De overbuurvrouw schreeuwt het ons met veel consumptie toe. Ik leg uit dat we gewoon wat aan het praten zijn en dan volgt een relaas over hoe stom het is dat niemand met háár praat. ‘ZE ZIJN ALLEMAAL STOM HIER! EN HET IS OOK TE VOL! ER KAN NIEIEIEIEIEIEIEMAND MEER BIJ!’

Koffie in een tuitbeker

Ik zoek wat afleiding om te zorgen dat ik niet heel hard moet lachen en ga voor oma en haar nieuwe huisgenoten koffie en thee inschenken. De één wil dat met suiker, de ander met melk, de één in een tuitbeker, de ander wil perse een normaal kopje maar de kinderbeker die voor haar staat verraadt dat ze daar niet meer mee overweg kan. Ik zet een beker koffie met melk neer en krijg een sneer. ‘DAT MOET NIET ZO! DAT MOET MET SUIKER!’. ‘Sorry,’ stamel ik en ik doe een nieuwe poging de dame te helpen.

Net als ik denk dat ik het juiste heb gedaan, rijdt een meneer tegen mijn benen aan met zijn rolstoel. ‘Zuster, zuster, ik moet PLASSEN!’ Het woord komt als een knal uit zijn mond en het kan niet anders of hij heeft met deze uitlating al een gedeelte van zijn behoefte los gelaten. Ik ruik dat ik gelijk heb en dat deze meneer meer moest dan alleen maar PLASSEN… Ik leg hem uit dat ik de zuster niet ben maar dat ik even zal kijken of ik haar kan vinden. Helaas, op deze verdieping met acht volwassen mensen ben ik de enige die mobiel is en die de datum van vandaag paraat heeft.

De laatste trein

Meneer is weer naar zijn plekje gereden en lijkt nergens meer last van te hebben. Ik wil weer naast mijn oma gaan zitten, maar dan kijkt de schreeuwende mevrouw me aan. ‘IK MOPPER HELEMAAL NIET!’ en ‘JE MOET STIL ZIJN!’
Ik krijg medelijden met mijn oma. Daar zit ze dan. In een wachtkamer te wachten op de laatste trein. Samen met al die andere mensen die die trein moeten hebben. Ze weet het. Ze weet het heel goed. ‘Ik mag tevreden wezen,’ straalt ze me toe.

We gaan even naar buiten. Even een frisse neus halen. Ik duw haar de vreemde straten door waar ze nooit eerder was. Ze vindt het fijn. Als we weer naar binnen gaan wil ze even naar haar eigen plekje, het kleine kamertje dat dienst doet als haar thuis. Een vreemd bed met plastic lakens, een vreemde stoel met beugels en een kast met wat gelabelde kleding.

En daar was jij

Ik moet nu echt naar de wc stamelt oma. Eehm. Ja. In paniek ga ik op zoek naar de zuster. Ik kan haar weer niet vinden. Dan kom ik terug en zie ik jou staan. Met het liefste gezicht dat ik ooit heb gezien vraag je mijn oma hoe het buiten was. Je vertelt haar dat je haar eerst even helpt en dat ze daarna haar medicijnen krijgt. Je helpt haar naar het toilet en gaat vervolgens verder in de keuken. Het ruikt heerlijk en je vertelt dat je voor vanavond schnitzels met bietjes hebt gemaakt.

Oma komt tevreden de eetruimte binnen en ze neemt haar medicijnen van je aan. Terwijl je de laatste hand legt aan de borden, help je twee mensen met het voor doen van de schorten, geef je nog vier mensen medicijnen en schenk je voor iedereen een glas sap in. Precies zoals zij het willen.

Jij bent de moeder van deze groep verdwaalde zielen

Ik sta versteld. Jij bent de moeder van deze groep verdwaalde zielen. Jij geeft ze allemaal precies wat ze zo nodig hebben. Liefdevol zorg jij ervoor dat de tijd in dit verpleeghuis zo prettig mogelijk is. Wat ben ik blij dat jij bestaat!

Dag lieve oma, fijne reis!

Je maakt ons duidelijk dat we afscheid moeten nemen, de mensen willen graag rustig eten. Ik omhels mijn oma. Met tranen in mijn ogen, want ik weet dat dit de laatste keer zal zijn. Oma geeft me een kus en knijpt zoals altijd even in mijn hand. Dag lieve meid. Dag lieve oma. Fijne reis. Je kijkt me aan en geeft me een knipoog. En ik weet dat het goed is.

Lieve zuster Linda, dank dat je er voor mijn oma en al die andere mensen bent. Dank dat je zo geduldig bent terwijl het werk zich opstapelt. Dank dat je met zoveel respect tegen en over de bewoners praat en dank, vooral veel dank, dat je ze straks liefdevol op de laatste trein zult zetten.

Dankbare groet,

Phileine

Lees ook Phileines brief van vorige week: ‘Dag lieve, lieve oude vriend, Mijn man is inmiddels op de hoogte van ons’ >

Meer leuke content? Like ons op Facebook