Roos: ‘Ik ben net een echte patiënt. Eentje die haar benen niet meer voelt’

Persoonlijk

Leuke mannen genoeg. Ze verrijkten haar leven een nachtje of een paar jaar. Maar niks hield stand. Nu is Roos vijfendertig, een single vrouw met een vurige kinderwens. Die kinderwens is hard op weg in vervulling te gaan, want Roos is inmiddels 37 weken zwanger van zaaddonor Floris.

Zwanger: 37 weken en 5 dagen

Het is zondagochtend, 7:30 uur. Ik ben net wakker als ik opeens een scheut vocht in mijn onderbroek voel sijpelen. Ik moest niet plassen, toch? Zijn mijn vliezen gebroken? Hoe kom ik daar achter? Voorzichtig stap ik uit bed en schuifel naar de wc, als er opnieuw een golf vocht naar buiten komt. Ik gris een bekertje van de wastafel om er wat van op te vangen. Het is licht gelig met kleine, witte vlokjes. Ik houd mijn neus erboven. Het ruikt nergens naar, maar zeker niet naar plas. Het kan bijna niet anders, het is begonnen…

Horizontaal blijven liggen

Op de echo, een paar uur later bij de verloskundige, ligt het hoofdje van mijn kleine meneertje nog niet goed ingedaald. Gebroken vliezen met een niet ingedaald hoofdje, een combinatie die na overleg met de gynaecoloog leidt tot een bezoekje aan het ziekenhuis, waar ze me gelijk besluiten te houden. De navelstreng ligt vlak naast het hoofdje, het risico bestaat dat als de weeën op gang komen en het hoofdje in gaat dalen, de navelstreng afgeklemd wordt. Zo lig ik opeens uren aan de monitor, waar een snel kloppend hartje me geruststelt terwijl ik braaf horizontaal blijf liggen.

We besluiten om in te gaan leiden

Een slapeloos nachtje ziekenhuis later. Nog steeds geen weeën. Het hoofdje begint iets in te dalen, de navelstreng is gelukkig weer verdwenen. In afwachting van de weeën mag ik naar huis. Nog eens vierentwintig uur later is het nog steeds rustig. 38 weken zwanger, nu al 48 uur gebroken vliezen en er is in geen velden of wegen een wee te bekennen. Ik ben terug in het ziekenhuis voor controle. We besluiten om in te gaan leiden. Hoe het ook komt dat mijn vliezen zijn gebroken, mijn gevoel zegt me dat noch mijn lijf, noch kleine Frummel er eigenlijk klaar voor waren. Langer dan drie dagen wachten doen ze toch niet, dan maar nu doorpakken.

Paniek

Ik word aan het infuus gelegd met weeënopwekkers. Elk half uur gaat de stand omhoog. Langzaamaan voel ik hoe mijn onderbuik gaat samentrekken, eerst vooral oncomfortabel, naarmate de dag vordert steeds intenser, tot mijn lijf in de loop van de avond te maken krijgt met weeën in al hun heftigheid. Ik zucht en ik kreun. Ik sta onder de douche, ga er weer onder vandaan, krijg tegendruk in mijn rug van mijn doula en een liefdevolle hand om vast te houden van mijn moeder. Tegen het eind van de avond komt de verloskundige dan eindelijk voelen hoe het staat met mijn ontsluiting. Eén centimeter. Eén f*cking centimeter. Met een baarmoedermond die nog maar voor de helft is verstreken. De paniek slaat toe, dit ga ik op deze manier niet volhouden. Tussen de weeën door leest mijn moeder de risico’s en nadelen voor van de ruggenprik. Mijn ideeën over zo min mogelijk pijnstilling gaan overboord. Nog geen tien minuten later staat er een anesthesist in de kamer. Brommerig en kortaf, maar hij prikt als de beste. Nog vier weeën voel ik bewust, daarna zakt de pijn weg en kan ik rustig ademhalen en de nacht in gaan.

Half vijf ’s middags. Tachtig uur gebroken vliezen. Bijna dertig uur aan de weeënopwekkers

Het aantal slangetjes wordt uitgebreid. Naast de monitor voor Frummel, het infuus en de ruggenprik lig ik aan een bloeddrukband en een blaaskatheter. In de loop van de nacht komt er een zuurstofsnorretje bij. Ik ben net een echte patiënt. Eentje die haar benen niet meer voelt en alleen nog maar een heel klein beetje met de tenen van haar linkervoet kan wiebelen.

Weeën komen en gaan
De volgende ochtend. 38 weken en 1 dag zwanger. We zijn ruim tien uur verder sinds de ruggenprik. De verloskundige komt weer toucheren. Verdomme, twee centimeter ontsluiting. En twee uur later nog steeds maar drie. Als het nu niet doorzet wordt het een keizersnee. De uren tikken. Weeën komen en gaan, ik zie ze op de monitor, maar voel ze niet. Vijf centimeter ontsluiting. De tranen rollen over mijn wangen. Wat nu, gaan voor de keizersnee of toch nog wachten? Fysiek gaat het, maar psychisch krijg ik het zwaar. Hoe lang nog? In tranen bel ik één van mijn beste vrienden die bijna gynaecoloog is. ‘Zet nog even door Roos, het zou goed kunnen dat het nu gaat vorderen.’ Ik vertrouw hem, dus zet ik door.

Half vijf ’s middags. Tachtig uur gebroken vliezen. Bijna dertig uur aan de weeënopwekkers. Inmiddels zo’n twintig uur aan de ruggenprik. Het moment van de waarheid. Als de ontsluiting nu niet verder is, word ik op het operatieprogramma gezet voor de keizersnee. ‘Ik ga je aanraken’, zegt de verloskundige. Het zal wel, het hele gebied is verdoofd, ik voel niets. Een lach breekt door op haar gezicht. ‘Volledige ontsluiting.’

Ik krijg het benauwd. Het zal toch wel goed gaan?

Opschieten

Anderhalf uur later. De vloeistof in de ruggenprik wordt stopgezet. Zonder persdrang en met een minimaal gevoel van weeën word ik door de gynaecoloog in opleiding begeleid in het persen. Een half uur. Een uur. Anderhalf uur. Voor de tweede keer wordt er een beetje bloed van Frummel’s hoofdje afgenomen om te kijken of het nog goed met hem gaat. Ze kijkt bedenkelijk, we moeten op gaan schieten. Misschien wordt het alsnog een keizersnee zegt ze. Of een vacuümextractie. Ze belt alvast haar supervisor, dat er een moeilijke vacuüm aan gaat komen, of hij wil komen helpen. Ik krijg het benauwd. Het zal toch wel goed gaan?

Opeens komt er iets in beweging. In een opgehouden spiegel zie ik de top van een hoofdje dat steeds wat groter wordt. ‘Bij de volgende wee ga ik een knip zetten, ik wil hem er nu uit’, hoor ik haar zeggen. ‘Komt ‘ie, persen Roos, met alle kracht die je in je hebt, nú! Wachten. Zuchten. Zuchten. Ja, ja, goed zo!’

Iemand pakt mijn handen en leidt ze naar beneden naar een klein nat roze glibberig kindje. Hij wordt neergelegd op mijn borst. Hij ademt. Hij beweegt. Lief klein kindje, mijn eigen kleine kindje, je bent er!