Sandra: ‘Ik vraag me af waar dat engelengeduld zich al die tijd schuilhield’

Persoonlijk

Engelengeduld: dus ik heb het wél. Ergens.

‘Het hele gezin hoest zich al dagen een ongeluk, en ook al leek mama daar als enige geen last van te hebben, deze griep is koppig, hardnekkig en heeft z’n zinnen op mij gezet. Vandaar dus vandaag die koppijn, de rillingen, de misselijkheid, de keelpijn en de algehele futloosheid. (Maar geen koorts. Ha. Dus ik vind het nog steeds 1-0 voor mij.)

Maar dit is dus zo’n dag waarop beide kinderen thuis zijn (de een gaat nog niet naar school, de ander ziekt zelf een dagje uit), zich niet helemaal fijn voelen en heel goed aanvoelen dat mama ook niet helemaal on top of her game is. Ik voel me ook gewoon belabberd, maar ja, je moet gewoon doorgaan. (Vooral doorgaan – hoort iemand anders ook nog de stem van Barrie Stevens?) En uitgerekend dan wordt je geduld nog eens extra op de proef gesteld.

Bijvoorbeeld omdat je net op een plastic bouwblokje bent gaan staan, dat ze na zeventien keer vragen nog niet hebben opgeruimd. Omdat ze willen verven, maar zodra je het tafellaken, het papier, de kwastjes, de verf en het potje water op tafel hebt staan en je klaarstaat met de kliederschortjes, hoeft het al niet meer. Omdat ze nu liever met klei willen spelen en er na tien minuten meer frutsels op de grond liggen en aan de sokken zitten dan op tafel zijn overgebleven. Omdat ze een banaan willen, tot op het moment dat die gepeld klaarligt. Normaal gesproken zou je hem zelf opeten, maar daar moet je vandaag dus echt even niet aan denken.

Op andere dagen schiet ik weleens (ahem) uit mijn slof. Maar vandaag voel ik me zo slap, zo moe, zo futloos, dat die hele slof zoek lijkt. Met een volledig automatisch engelengeduld waar ik op andere dagen naargeestig naar op zoek ben, leg ik keer op keer uit dat ik graag wil dat ze tijdens het eten aan tafel blijven zitten, dat ze toch zelf om dat beleg hebben gevraagd, dat mijn team van kleine misdaadbestrijders pas weer na de lunch verder mag strijden, dat het echt even wat rustiger moet omdat ik niet lekker ben.

Na de lunch strijden ze inderdaad verder, helaas wel weer op vol volume en met volle overgave, soms tegen en soms met elkaar. En ik zit ondertussen op de bank met nog een lekker warme bak naar niets smakende koffie en vraag me af waar dat geduld zich al die tijd heeft schuilgehouden. En of ik ervoor kan zorgen dat het voortaan naar boven komt wanneer ik het nodig heb, niet alleen maar wanneer een virus mijn systeem gegijzeld heeft. Want stiekem ben ik er best trots op dat ik overal zo rustig onder blijf. Dat wil ik vaker. Maar dan liever zonder griep.’