Snottebellen en chronisch geluidsoverlast: waarom ik nu geen vader wil worden

De hoofdredacteur van Manners, Leroy, behoort tot het groepje mannen dat de aarde al meer dan 10950 dagen (snelle rekenaars verzamel u) heeft zien ontwaken en dat betekent dat een oerse versie van hem begint te zeuren om kinderen. Zijn niet bestaande mannelijke eierstokken klapperen soms harder dan de kaken van een Amsterdamse hipster op een technofeest.

Zo is de natuur, zou je denken. Geef toe aan je driften en kies voor het grootste geluk dat je maar kunt wensen. En toch is er van alles wat mij tegenhoudt. Rebelsheid bijvoorbeeld. Want hoe meer kinderen ik op verjaardagen zie verschijnen, des te vaker ik mijn gitaar wil pakken om al die gevoelige kinderoortjes doof te spelen met klassieke punktracks uit mijn anarchistische jeugd. Totaal ongegronde onzin, natuurlijk. Kinderen hoor je niet doof te maken, dat horen zij bij jou te doen. Met hun gemekker en willekeurig gesmijt met incomplete woorden die onaangenamer klinken dan Mariah Carey als ze wél live zingt.

Nee hoor ik pas

En dan die snottebellen. “Als het je eigen kind is, heb je daar geen moeite mee.” Je eigen kind inderdaad, dus ik heb er wel moeite mee. Vooral met moeders die te pas en te onpas het ranzige vocht uit de neusgaten van hun “ukkie” verorberen alsof ze een malse steak krijgen voorgeschoteld. Nee hoor, ik pas.

Chronisch geluidsoverlast uit het gat des doods van een kind, ouders noemen het doorgaans een mond, tijdens broodnodige nachtrusten is een derde wat mij tegenhoudt. Ik had ooit een kat, god hebbe de ziel van mijn ex-vriendin en haar buren, die steevast elke ochtend hard begon te miauwen. In de middag en avond ook, overigens. Eigenlijk op elk moment als ‘ie niet lag te slapen of het huis vervuilde met z’n hormonale, katten-testosteron. Lees: pis.

De wereld heeft geen kinderen meer nodig

Nee, dit gaat niet over een een schattig miauwtje waarmee de diertjes een aai over hun boel verdienen. Deze anekdote gaat over een miauw uit de hel. Vaak zo’n dubbele, doorgetrokken variant. Alsof ‘ie eigenaar was van een derde long, waar extra lucht vandaan werd getrokken.

Kinderen beheren dit soort pesterijtjes tot in de puntjes. De timing van de zoete mormeltjes is vlijmscherp en heeft maar één doel: het ontwrichten van mijn gemoedstoestand en de gelukkige relatie met de schattebout die het wezentje op de wereld heeft gezet.

De volgende redenen waarom ik de kerk steevast tijdig verlaat, zijn minder fraai dan al het bovenstaande. Laten we met de meest toegankelijke theorie beginnen. De wereld heeft geen kinderen meer nodig, of volgroeide varianten – ook wel volwassenen genoemd. Alles wat lelijk is aan de wereld, hebben we te danken aan onszelf. Vooral omdat we met teveel zijn.

Kinderen maak je voor jezelf

Af en toe een kip slachten voor een proteïnerijke maaltijd op m’n bord is echt geen ramp. Duizenden kippen in een stal proppen zodat we allen voorzien worden van kippendijen, is dat wel. Gas uit de aarde trekken om mijn pannetje water op te warmen is niet erg. Groningen laten verzakken omdat we met achttien miljoen Nederlanders elke ochtend willen douchen, is dat wel. U snapt mijn punt: een paar procentjes minder zou de wereld geen kwaad doen.

Kinderen maak je voor jezelf. Niet voor de wereld, niet voor je ouders en niet voor het kind zelf. Zaad vind het ook prima om te sterven na de liefdesdaad. Scheelt hem of haar weer werken tot z’n 67e. En toch, toch…, ondanks al deze ellende en duisternis, droom ik zo nu en dan van een koter aan mijn hand. Beetje de coole vader uithangen, m’n onvoorwaardelijke liefde delen, rust en compleetheid vinden. De medaille heeft twee kanten en deze kant is opgepoetst. Hij schittert in de zon en wil met trots gedragen worden.

Mijn roze bril ging op

Hoe ik dat weet? Omdat ik het meermaals heb ervaren. Zo was ik onlangs in San Francisco, waar 22.000 daklozen en hun heroïne-naalden het straatbeeld bepalen. Tussen alle vreselijkheid vond ik een groen parkje met een fontein. Een vader zat op een bankje in de zon, terwijl z’n dochter naar een kastanjeboom rende. Ze pakte een blaadje, rende in haar prinsessenjurk weer terug naar de fontein en liet het blaadje in de stroming vallen. Toen het blaadje uit het zicht was, huppelde ze weer richting de boom om een nieuw blaadje te halen.

Een prachtig spektakel om te aanschouwen. Mijn niet bestaande eierstokken gingen tekeer, m’n roze bril ging op en ineens werd ik gedragen door wolken. Totdat ik naar het gezicht van de vader keek. Z’n blik was bezorgd en vermoeid. Z’n aandacht ging vooral naar de smartphone in zijn handen en het plezier dat zijn dochter beleefde, werd niet wederzijds ervaren.

Ik besloot m’n eierstokken nog even te negeren en eenmaal in Nederland langs het huis van mijn ex te gaan. Niet om de liefde te bedrijven, maar wel om de kat te aaien.

Reageer op artikel:
Snottebellen en chronisch geluidsoverlast: waarom ik nu geen vader wil worden
Sluiten