Welk speeltype is jouw kind?

wpkadmin 10 aug 2018 Kids

Het wordt weer tijd om met verlanglijstjes de winkels af te stropen. Vraag en aanbod genoeg, maar wat wordt het? Stimuleren we met z’n allen de revival van de Furby? Volgen we strikt de richtlijnen van het lijstje? Of stappen we linea recta op de nieuwste – want verantwoord speelgoed! – Legodozen af? Uiteindelijk willen ouders maar één ding: dat hun kind vaak en met plezier met z’n speelgoed speelt. Handig dus om eens te kijken wat voor speeltype het is en welk speelgoed daar het beste bij aansluit.

Ouders die klakkeloos kopen wat hun kind op het verlanglijstje heeft staan, speelgoeddeskundige Marianne de Valck ziet het vaak gebeuren. Al jaren runt ze een speelgoedadviesbureau, waarvoor ze advies en training over speelgoed geeft aan volwassenen, die onder meer werkzaam zijn in het onderwijs, de kinderopvang en bij spelotheken. Ouders zijn onzeker, merkt De Valck. ‘Ze willen zeker weten dat hun kind gelukkig is en durven bij het kiezen van speelgoed niet goed eigen smaak of voorkeur in te brengen, uit vrees dat het verkeerd uitpakt en het kind niet blij is met zijn cadeau.’ En dat terwijl een beetje eigen inbreng van ouders juist zeer gewenst is. ‘Op de vraag: “Wat zou je van Sinterklaas willen hebben?” kan een kind, dat nog niet in staat is logisch te redeneren, heus geen weloverwogen antwoord geven. Voor hem telt vooral het uiterlijk van speelgoed: is het groot, heeft het felle kleuren, kan het bewegen, geeft het geluid? En ook: is het ‘in’ op school? Maar of het speelgoed uitdagend is, of ze het echt kunnen gebruiken, of het lang boeiend blijft en degelijk gemaakt is, daar denkt een kind helemaal niet over na. Dat is dus iets wat je als ouder mee kunt nemen in je afweging.

Past het bij je opvoedidee? Wil je je kind creatief uitdagen of geef je het een robothond die, nog voor je kind het bedacht heeft, al zijn mogelijkheden uit zichzelf laat zien? Een huis vol batterijspeelgoed is niet per se slecht, maar het zegt iets over je normen en waarden.’

Dat betekent niet dat ouders de verlangens van hun kind compleet in de wind moeten slaan, voegt Lisette van der Poel, als ontwikkelingspsycholoog gepromoveerd op een onderzoek naar speelgedrag van kinderen op de basisschool, hier aan toe. ‘Want ook als volwassene weet je hoe fijn het kan zijn te krijgen wat je wenst, hoe stompzinnig of prullerig het ook is. Mijn dochters wilden allebei dolgraag een My Little Pony, terwijl ik het vreselijk vond, zo’n roze, plastic geval. Na veel gezeur ging ik uiteindelijk toch overstag en het is het geld dubbel en dwars waard: ze spelen er na een jaar nóg mee.’ Probeer vooroordelen af en toe eens overboord te zetten, adviseert ze. ‘Dan kom je al een heel eind.’

Etiket educatief

Een andere valkuil is dat veel ouders denken dat speelgoed leerzaam of pedagogisch verantwoord moet zijn. Van der Poel: ‘Speelgoed met een sticker “educatief” wordt massaal verkocht. Terwijl het voor een kind helemaal niet altijd leuk is om iets te moeten leren van speelgoed. Ik vind het maar raar om een kind van 2,5 een cd-rom cadeau te doen waarmee hij vast kan leren tellen. Dat is helemaal niet nodig, dat leert een kind vanzelf zodra, en soms al voordat, het naar school gaat.’ Spelen moet vooral léuk zijn, vindt Van der Poel. ‘Zeker jonge kinderen krijgen gedurende een dag al zoveel prikkels en indrukken voor hun kiezen; het spelen helpt ze om dat alles te verwerken. Dat ze daarbij ook nog vaardigheden leren, is mooi meegenomen, maar moet geen doel op zich zijn.’

Ook over houten speelgoed bestaan de nodige misverstanden. Nooit is bewezen dat spelen met houten speelgoed beter zou zijn voor een kind, hoewel veel ouders dat toch denken. Van der Poel: ‘Een kind met veel fantasie kan prima spelen met een houten pop; terwijl een kind zonder veel fantasie juist gestimuleerd moet worden. Die kan bijvoorbeeld veel beter uit de voeten met een Baby Born.’

De speelontwikkeling

Waar het om gaat, is dat ouders goed naar hun kind moeten kijken, en niet blindelings moeten afgaan op wat er op de verlanglijst staat. Allereerst is de speelontwikkeling belangrijk, die samenhangt met de leeftijd van een kind. De speelontwikkeling is globaal uiteen te zetten in zes fasen.

Zodra een kind gericht naar iets kan grijpen, met een maand of drie, vier, begint het spelen. Of spelen: een kind is dan in staat om te rammelen met een rammelaar of te tikken tegen een mobile zodat het gaat bewegen.

Met 1 jaar combineren kinderen bewegingen, bijvoorbeeld door met een rammelaar ergens op te slaan. Ze ondervinden daarnaast wat de verschillende fysieke eigenschappen van materialen zijn: een knuffel is zacht, een blok is hard.

Na weer dik half jaar kan een kind handelingen nog gerichter combineren, zoals het ‘hoort’ in het echte leven: ze zetten kopjes op schoteltjes, leggen de pop in bed en zetten autootjes in de garage. Ze beleven veel plezier aan doen-alsof spelletjes, zoals zandtaartjes ‘opeten’, ‘koffiedrinken’ uit het poppenservies of ‘autorijden’ op een stoel. Ook buitenspelen en kliederen met zand, water en modder is goed voor tweejarigen; dit ‘sensopathisch spelen’ stimuleert de zintuiglijke ontwikkeling.

Kinderen van 3 tot 5 jaar zijn dol op fantasiespelletjes, waarbij ze helemaal opgaan in hun rol. Ze zijn ‘moeder’ en doen boodschappen, of zijn ‘politieagent’ en pakken een boef. Op deze leeftijd zijn ze toe aan verfijnder speelgoed, wordt het krassen op papier duidelijk tekenen, bouwen ze blokken met een doel en beginnen ze ook te knutselen.

Vanaf groep 3 beschikken kinderen over de logica om spelletjes met regels te snappen; vanaf een jaar of 6 zijn ze er verstandelijk aan toe om op hun beurt wachten en vinden ze verliezen minder vervelend.

Bij kinderen van 7 en ouder neemt het doen-alsof-spel af en volgen volwassener vormen van spelen, zoals op de computer of met een bordspel. Bovendien maakt het spelen meer en meer plaats voor hobby’s.

Vier speeltypen

Voor een kind van 4 dat opgaat in zijn doen-alsof-spel, is een trapauto, een poppenservies of een keukentje een prima cadeau. Een bordspel met ingewikkelde regels is minder geschikt – daar is een kind van die leeftijd verstandelijk simpelweg nog niet aan toe. Maar naast te kijken naar de speelontwikkeling, kan ook rekening worden gehouden met de aard van het kind en de manier waarop het speelt.

Om het wat overzichtelijker te maken, onderscheidt speelgoeddeskundige Marianne de Valck vier speeltypen:

  • Rauwers
  • Douwers
  • Bouwers
  • Schouwers
  1. Een rauwer is een doener, wil actie en heeft vooral oog voor grote lijnen. Een rauwer heeft ruimte nodig, is snel enthousiast maar kan zich moeilijk lange tijd concentreren. Rauwers maak je niet blij met fröbelspul als ministeck; groot, actief en kortdurend speelgoed is wel aan hen besteed. Speelgoed dat direct reacties geeft (pistooltjes, een microfoon), speelgoed waarmee ze nadrukkelijk aanwezig zijn en kunnen laten zien wat ze in huis hebben, en speelgoed waarmee ze kunnen sjouwen, klimmen en geluiden maken.
  2. Douwers zijn uitvinders, puzzelaars. Ze kunnen moeite en geduld opbrengen en gaan langer door. Ze zijn origineel, kunnen goed zelfstandig spelen en willen alles leren en begrijpen. Typisch speelgoed voor een douwer zijn spelletjes waar strategie en inzicht voor nodig zijn. Ook speelgoed met veel mogelijkheden zal hen bekoren, evenals speelgoed dat hen uitdaagt tot onderzoek en uitproberen.
  3. Schouwers gebruiken al hun zintuigen en zijn gericht op details en uiterlijkheden. Ze houden ervan te dromen en te fantaseren, genieten van emoties en zijn vaak introvert. Schouwers zijn graag creatief met bijvoorbeeld kralen of schmink, speelgoed dat zacht, mooi, lief is of muziek maakt.
  4. Bouwers zijn ondernemers, regelaars. Ze zijn sociaal, praktisch en inventief: alles is bruikbaar om mee te spelen. Ze maken graag afspraken en regels. Resultaten zijn belangrijk voor bouwers. Ze houden er van verhalen na te spelen. Daarom is een kassa, een telefoon of een kist met verkleedkleren prima speelgoed voor hen.

De verdeling is globaal, benadrukt De Valck met klem. ‘Geen kind is natuurlijk hetzelfde. Toch kan deze verdeling een prima hulpmiddel zijn bij het kopen van speelgoed.’

Basisstukken

Elk gezin moet beschikken over een aantal basisstukken speelgoed, vindt Lisette van der Poel. ‘In ieder huishouden dienen blokken aanwezig te zijn, verf en potloden, knutselspullen, een bal, Playmobil of Lego omdat dat zo veel mogelijkheden heeft, een paar gezelschapsspellen, autootjes – ook als er alleen meisjes zijn – en een pop en een servies – ook als er alleen jongens zijn.’

Daarnaast adviseert Marianne de Valck om rekening te houden met de ‘schijf van vijf’, die bestaat uit creatief speelgoed, constructief speelgoed, sociaal speelgoed, cognitief speelgoed en motorisch speelgoed. In welke mate ouders dat aanschaffen, ligt weer aan de aard van hun kind; maar als alle vijf soorten speelgoed voor handen zijn, zorgen ze in elk geval voor veelzijdigheid.

Maar heeft het zin die moeite te doen als een kind het liefst vierentwintig uur per dag achter de computer zit, of alleen maar met Lego speelt en al het andere speelgoed links laat liggen? ‘Jawel,’ zegt Van der Poel. ‘Met kleine stapjes zijn zelfs die kinderen te sturen. Spelen ze bijvoorbeeld meestal computerspelletjes voor één persoon? Dan kun je ze voorstellen ook eens een spel voor meerdere personen uit te proberen. En slaat dat aan, dan is een mooi bordspel een logische opvolger.’ l

Let ook op de kleintjes

Ongeveer 80 procent van de speelgoedwinkels is aangesloten bij een grote inkooporganisatie, waardoor uiteindelijk maar een klein groepje mensen bepaalt welk speelgoed in het gros van de speelgoedwinkels verkocht wordt. Dat leidt in zekere zin tot verschraling, want er ligt veel van hetzelfde in de schappen. Zelfstandige zaken zonder keten achter zich doen meestal hun eigen inkoop, waardoor ze soms origineler waar verkopen. Kijk daarom ook eens wat zij te bieden hebben.

Het CE-keurmerk

Elk speelgoed moet verplicht voldoen aan het CE-keurmerk, waarvan de richtlijnen door de Europese Unie bepaald zijn. Maar elke fabrikant mag zelf bepalen of zijn speelgoed aan die regels voldoet. Toch denken zowel speelgoeddeskundige Marianne de Valck als ontwikkelingspsychologe Lisette van der Poel dat de meeste speelgoedproducenten hier verantwoord mee omgaan. Op elk stuk speelgoed moeten ze namelijk, naast het CE-logo, verplicht hun adres zetten. Áls er dan iets niet in de haak is, zijn ze gemakkelijk verantwoordelijk te stellen.

Soms is echter niet helemaal duidelijk wat wel speelgoed is en wat niet. Veel ‘speelwaar’ van hout wordt door de wet gezien als decoratiemateriaal en voldoet dus niet aan de CE-richtlijnen, terwijl een kinderzonnebril vaak weer wel als speelgoed wordt aangeduid.

Speelgoed per type

Rauwers, douwers, schouwers en bouwers houden elk van ander speelgoed, hoewel er bepaalde spullen zijn waar ze allemaal mee uit de voeten kunnen. Een bal bijvoorbeeld. De rauwer schopt of gooit een bal zo hard hij kan, de douwer doet graag kunstjes (jongleren, hooghouden), de schouwer is gefascineerd door de print, de kleuren en de beweging van een bal en de bouwer formeert direct een elftal om leiding te geven.

Laat ze een bal kiezen, en de rauwer kiest voor een grote, stevige bal, de douwer voor een bal met bijzondere mogelijkheden (jongleerballen, bal met stekels), de schouwer kiest een mooie, zachte, aparte bal en de bouwer maakt het niet uit, die kan met elke bal uit de voeten.?l Speelgoed voor rauwers: trampoline, constructiespeelgoed ?met snel resultaat als K’nex, tafeltennistafel, skeelers, ?microfoon, basketbal + netje

  • Speelgoed voor douwers: strategiespelen als Monopoly, Stratego of Kolonisten van Catan, goocheldoos, Memory, ?constructiespeelgoed waar meer geduld voor nodig is als ?(technisch) Lego, knutseldoos, puzzel
  • Speelgoed voor schouwers: muziekdoosje, klei, kleine ?poppetjes of figuurtjes, kralen, schmink, Ministeck
  • Speelgoed voor bouwers: poppenkast, verkleedkleren, ?speeltent, telefoon, kassa om winkeltje te spelen, keukentje

Hypes

Het is lastig omgaan met hypes. Soms kan het goed zijn voor een kind mee te gaan in een hype, bijvoorbeeld als het niet zo stevig in zijn schoenen staat en een extra duwtje nodig heeft.

Toch kunnen ouders – zeker aan een iets ouder kind – ook best uitleggen waarom ze niet aan een tijdelijke (en soms kostbare) rage willen meedoen. Kinderen moeten immers leren dat ze niet álles kunnen krijgen.

Tips

  • Overdaad schaadt: te veel speelgoed leidt tot verveling – door al het aanbod kunnen kinderen niet meer kiezen. Bovendien wordt hun spel vluchtig: ze hebben het idee dat ze met alles moeten spelen. Maak zelf een selectie en berg de helft van het speelgoed tijdelijk op.
  • Het is beter jonge kinderen meerdere cadeautjes te geven met sinterklaas of kerst in plaats van één groot cadeau. Voor hen is kwantiteit nog belangrijker dan kwaliteit, en als ze zien dat er voor hun broer of zus een grote stapel pakjes ligt, kan dat leiden tot jaloezie en boze buien. Het gaat hierbij overigens niet om het bedrag dat je besteedt, pak kleurpotloden desnoods per stuk in. Dan lijkt het vanzelf meer.
  • Wat leuk speelgoed is, is voor elk kind verschillend. Speelgoed doorschuiven naar jongere broers en zussen hoeft dus niet per se succesvol te zijn.
  • Wees praktisch: is er wel ruimte om die racebaan neer te zetten? En een gezelschapsspel dat bij een vriendje verslavend werkt, kan thuis op een fiasco uitlopen omdat de rest van het gezin helemaal niet van spelletjes houdt.
  • Kinderen vinden het geweldig als hun ouders meespelen of meedoen aan een spelletje, zeker als die ook nog eens verliezen.
  • Bevestig kinderen in hun spel, met: ‘Wat ben je heerlijk aan het spelen’ of: ‘Dat ziet er spannend uit!’
  • Neem een kind nooit mee de speelgoedwinkel in om zelf zijn cadeau te kiezen – dat geeft te veel druk. Beter is om bij de verjaardag van een vriendje samen op pad te gaan, en dan subtiel te vragen wat het kind zelf graag zou willen hebben als het nu jarig zou zijn.
  • Speelgoed uitproberen zonder het meteen te hoeven kopen? Een speelotheek kan uitkomst bieden. Zie www.speelotheken.nl

Meer weten?

  • ‘Speelboek, eerste hulp bij het leuk houden ?van spelen’, dor Marianne de Valck, uitgeverij SWP-books, ISBN 9066655739
  • ‘Speelgoedboek, eerste hulp bij het kiezen van speelgoed’ door Marianne de Valck, uitgeverij SWP-books,ISBN 90-6665-712-X

Zie ook: www.speelgoedadvies.nl

Met dank aan basisschool De Regenboog, Assendelft

Reageer op artikel:
Welk speeltype is jouw kind?
Sluiten